In spiegels zonder glas
dwaalt de mens zijn eigen echo,
gangenn draaien eindeloos
zonder begin,zonder einde.
De muren fluisteren namen
die allang vergeten zijn,
voetstappen verdwijnen
als adem in de kou.
Wie het hart zoekt,
vindt slechts kruispunten van stilte,
een poort die nooit open gaat,
een sleutel die niemand draagt.
Toch groeit in de schemer
een draad van licht,
broos als hoop,
hardnekkig als leven zelf.